Herinneringen aan de Bron door Dik Kruis

U bevindt zich hier:  >>> Straten O - P  >>> Ordermolenweg 

Foto:Karin Rietberg-van Duijn . 1966 voor het eerst naar school.

 

Deel 1 aantekeningen 1996-1999
Deel 2 De (on)deugden van juffen en meesters
Deel 3 Speelkameraden: met wie en waar?
Deel 4 Heuse vriendinnetjes: een beetje verliefd.
Deel 5 Geen gym, wel sport
Deel 6 Anno 2004

 

aantekeningen 1996-1999

Deel 1

Intro

Herinneringen komen niet noodzakelijkerwijs overeen met de werkelijkheid. Herinneringen zijn soms mooier, soms overleven alleen bepaalde aspecten de tijd waardoor die natuurlijk worden uitvergroot en soms kloppen dingen gewoon niet en zijn de grijze cellen in de war geraakt. Als ik dan ook vertel over mijn lagere schooltijd en over mensen uit die tijd zegt dat misschien meer over mijzelf dan over de betrokkenen. Het is ook al eventjes geleden. Ik bezocht de lagere school De Bron in Apeldoorn vanaf de 2e klas in december 1962 tot de 6e klas in 1967. Onderstaande herinneringen zijn gebaseerd op aantekeningen van eind jaren negentig.

De Bron: hoe zag dat er ook alweer uit?

Zo nu en dan loop ik langs De Ordermolenweg. Op de plaats waar vroeger De Bron stond wonen nu senioren. Alleen de abrupte beëindiging van de rijtjeshuizen aan de Permekestraat verraadt dat het vroeger anders bedoeld is geweest. In het verlengde van de rijtjes stond de “noodlokalen” van de lagere school De Bron. Die zouden ooit moeten plaatsmaken voor andere rijtjes huizen. Maar de plannen veranderden. Onwillekeurig probeer ik me voor te stellen hoe De Bron er ook alweer op die plek uitzag.

Nu het stratenpatroon en de bebouwing in de omgeving zo drastisch veranderd is, is het moeilijk voor te stellen hoe het was. Het beste kun je je ogen sluiten. Ik zie dan een smal licht omhoog lopend tegelpad. Rechts staat een losstaand houten klaslokaal. Daarachter ligt een schoolplein. Aan het schoolplein staat een eveneens houten hoofdgebouw – 3 lokalen breed – en links ervan nog een losstaand klaslokaal. In gedachten zie ik de deur open gaan; een schoolkind verschijnt met in de hand een grote bel: natuurlijk..de schoolbel. Door het raam zie ik in het eerste klaslokaal al kinderen zitten te werken: de opleiding! Langzaam loop ik met de kinderen van het schoolplein mee naar binnen. De houten vloer dreunt van de kindervoeten. Uit “het kamertje” links komen de juffen en de meesters. Meester Borsje staat als een veldheer in de gang. Sommige kinderen slaan nog even linksaf naar de toiletten. Rechtsaf is de gang met kapstokken en de deuren naar de lokalen. Door de ramen van de gang kijk je uit op het trapveldje achter de school. De laatste kinderen komen van het veldje af en lopen tussen het hoofdgebouw en het klaslokaal van meester Veerman naar voren. Als ik het klaslokaal binnenkom zie ik lange rijen solitaire tafeltjes en stoeltjes, sommige wat groter (of kleiner) dan de andere. De tafeltjes zijn nog steeds voorzien van een inktpot dat met een zwart schuifje kan worden afgesloten. Ze worden niet meer gebruikt sinds we overgegaan zijn op de balpen. Voor in de klas onder het schoolbord staan 2 kratten met driehoekige piramidevormige kartonnetjes. In de ene krat zitten rode, in de andere krat zitten blauwe kartonnetjes. Straks mag een leerling met een potlood de gaatjes doorprikken, er rietjes doorsteken en de schoolmelk en karnemelk uitdelen. Achter in het midden van de klas staat een grote zwarte oliekachel. De olie komt uit een vat dat aan de zijkant van het schoolgebouw staat en waaromheen keurig een hok is gebouwd met een glad en schuin aflopende deksel. Het is altijd een sport om te proberen daarop te klimmen en zolang mogelijk te voorkomen dat je eraf glijdt.
De indrukwekkende bel kondigt ook het einde van de schooltijd aan. De meeste kinderen rennen naar buiten; o, nee rennen mag niet in school, dat dreunt teveel op de houten vloer. Sommigen pakken hun fiets uit het fietsenhok aan de overzijde van het schoolplein. Maar ze mogen nog niet fietsen. Het tegelpad naar de Ordermolenweg loopt nu gevaarlijk omlaag. Aan het einde staat een leerkracht. Nee, klaar-overs zijn nog niet nodig. Maar enige zorg dat iedereen veilig richting huis vertrekt, is er wel.
Aan de overzijde van de Ordermolenweg op de hoek met de Gerard Doulaan staat een klein gebouwtje. Het is een kleine bakkerij. Als je ’s morgens erg vroeg bent, kun je weleens een homp afgekeurde cake meekrijgen. Maar dat plezier is maar van korte duur. Al snel wordt het bedrijfje beëindigd.
Als ik zo stil langs de Ordermolenweg sta te mijmeren zie ik ineens weer in mijn verbeelding hoe de schoolklassen zich langs de weg opstellen. Warempel, er zijn geloof ik zelfs vlaggetjes. Koningin Juliana zal vanmiddag de nieuwe gebouwen openen op de Willem III-kazerne en op de terugweg hierlangs rijden. Na enige tijd wachten komen er 2 motoragenten en een paar dure auto’s in hoge snelheid aangereden. Als de laatste al bijna gepasseerd is, beginnen er nog wat kinderen te juichen. Dat had ze dus moeten zijn. Waarschijnlijk was het zo niet bedoeld, maar het is een wijze les. Niet iedereen krijgt altijd evenveel aandacht.

Mijn herinneringen aan De Bron zijn fragmentarisch; wanneer precies wat zich voordeed, in welke volgorde, in welke klas, dat weet ik vaak niet meer. De juffen en meesters tover ik wel voor mijn geestesoog maar al hun kwaliteiten of eigenaardigheden weet ik niet meer zo precies. In mijn herinnering zwierf ik ook altijd door de wijk Orden. Mijn relatie met mijn klasgenoten associeer ik dan ook onmiddellijk met de verschillende speelplekken in de wijk. En natuurlijk zijn er de vriendinnetjes en de sport.
Kom, ik zal de fragmenten eens de revue laten passeren.

 

De (on)deugden van juffen en meesters

Deel 2

Juffrouw De Stigter heb ik gemist. Wel jammer want volgens ingewijden was het een lieve juf. Geen wonder, denk ik nu, voor een juf van klas 1 die de leerlingen moet binnenbrengen. Waar de leerlingen overigens vandaan kwamen is me nu een raadsel want een kleuterschool had De Bron niet. Ik had die school nog in mijn vroegere woonplaats Epe gevolgd evenals klas 1. Daar leerde ik de kroontjespen hanteren met bijbehorend vloeipapier en inktlap. Maar in december van klas 2 verhuisden wij naar Apeldoorn. De Wibra opende daar haar eerste nevenvestiging aan het Ordenplein en mij moeder fungeerde zo'n beetje als beheerster. Op 18 december vestigden wij ons daar en we rekenden op een lange kerstvakantie alvorens aan een nieuwe school te beginnen. Maar niets bleek minder waar. Een ochtendlang konden zus Ada en ik van de sneeuw genieten en met de slee van de "dijkjes" glijden. Zo noemden we de zandheuvels op de plaats waar nu Frankenoord staat bij de Willem III-kazerne. Maar tussen de middag kregen we te horen dat we nog diezelfde middag naar school konden. Daar zat ik dan, in klas 2, de 2e of 3e rij van het raam, bijna achteraan. Vlak naast mij zat een jongetje met wie ik het later goed kon vinden, Jan Helmendach. Juffrouw De Kater zwaaide de scepter in deze klas die klas 2 een deel van klas 3 omvatte. Zus Ada kwam terecht bij meester Veerman in klas 4.
Van juffrouw De Kater staat me niet meer zo heel veel voor de geest. Ze was zeker niet onaardig maar wel streng. Het eerste wat ik moest doen was mijn net geleerde schrijfwijze uit Epe afleren. Op De Bron schreef men niet rechtop met krullen maar veel moderner nl. schuin en met balpen. Van muziekles herinner ik me de grote tegenstelling met meester Veerman. Juffrouw De Kater hanteerde de triangel om de zuivere beginnoot aan te slaan en om vervolgens gedisciplineerd de maat aan te geven. Zongen we niet onder haar leiding als een zangkoortje in de kerk bij doopdiensten? Toen ik in klas 3 zat voegden we ons zo nu en dan bij ons andere klasdeel bij meester Veerman. Zijn muziek bestond uit losbandige, vrolijke en vreemdsoortige liedjes zoals Aberine Koeterine + (die tot mijn latere verbazing gewoon in de liedjesboekjes stonden). Hoe dat overigens precies zat met die muziekles van meester Veerman weet ik niet meer. Misschien werden nl. niet de klasdelen bij elkaar gevoegd maar gingen de jongens van klas 3 en 4 bij meester Veerman handenarbeid doen en de meisjes gingen bij juffrouw De Kater handwerken. Ach, de sekserollen lagen nog volstrekt helder.

 

Vanaf klas 4 deed een nieuwe meester zijn intree, meester Jan Muller. Ook dat was in die dagen kennelijk vanzelfsprekend; de juffen stonden voor de laagste klassen, de meesters voor de hoogste. Meneer Muller zetelde in het aparte lokaal bij de toegang tot het schoolplein. Als ik aan meester Muller denk, voel ik mijn oor. Hij had de merkwaardige gewoonte mij bij mijn oor vast te pakken als ik weer eens achterstevoren op mijn stoel zat. Toch heb ik die eigenschap nooit afgeleerd. Ik wil graag overzicht hebben en dat uitte zich toen al in de moeite die ik had om kinderen achter mij te weten en daar geen zicht op te hebben. Dus draaide ik mij geregeld om. Zo’n nieuwe jonge meester brengt natuurlijk ook andere aspecten mee. Zoals zijn vriendin. Daarover werd het nodige gespeculeerd en gefantaseerd. Toch kan ik me niet meer een feestelijk huwelijk herinneren; zat ik toen al niet meer bij hem in de klas?
Een bijzondere gebeurtenis viel mij ten deel toen op zekere dag het hoofd der school, meester Borsje de klas binnenstapte om mij een prijs te overhandigen. Ik had met een opstelwedstrijd over alcoholisme de 3e of 4e prijs gewonnen. De prijs bestond uit een boek over de wondere wereld van de natuur, iets waarvoor ik toen nauwelijks belangstelling koesterde. Dat gold ongetwijfeld evenzeer voor het alcoholisme; waarschijnlijk had ik een strategisch slim geschreven opstel gemaakt dat keurig in het straatje van de initiatiefnemers paste.
Jaarlijks was er ook een schoolavond. De school zelf had daarvoor geen geschikte ruimte en dus werd uitgeweken naar Ordens Belang, een zaaltje met podium in de Frans van Mieresstraat van de familie Ploeg. Elke klas voerde voor de volle zaal ouders en familieleden een spel of toneelstuk op. Meester Muller had na uitgebreide testen met hardop voorlezen de rollen verdeeld. Ons toneelstuk ging over een dokter Beertje Pippeloentje. Ik was reuze blij mee te mogen doen als zielige patiënt. De hoofdrol was weggelegd voor Ronnie Maas, een enigszins verlegen en kleine jongen; niet het prototype van een alleswetende dokter. Maar de witte jas – vele maten te groot – stond hem goed.
Als ik nu terugkijk naar mijn rapporten moet ik concluderen dat ik niet altijd een gemakkelijke leerling ben geweest. Of misschien waren de regels soms wat te streng voor mij. Maar in plaats van de gebruikelijke 8 staat er voor “gedrag” in klas meestal een 7; dat duidt op enige ongedurigheid.
Heel bijzonder op De Bron was het feit dat leerlingen al vanaf klas 4 Engelse en/of Franse les konden krijgen. Dat werd samen met de Oranje Nassauschool aan de Zanderijweg georganiseerd. (Terzijde: ik heb altijd begrepen dat De Bron ook een afsplitsing was van deze O.N.S.) De lessen werden buiten de officiële schooluren gegeven; donderdag middag na schooltijd Frans aan de O.N.S. en zaterdagmorgen Engels op De Bron. Vanaf de 4e klas volgde ik Frans – God weet waarom – te beginnen bij “papa fume la pipe” en “la pipe de papa”. Met de 5 HBS-jaren erbij heb ik dus 8 jaar Franse les genoten; en heeft iets geholpen? “Rien”!

 

Meester T. Borsje had zelf de hoogste klas, klas 6, onder zijn hoede. De T. stond voor Teun maar dat werd hoogstens fluisterend gezegd. Ook zijn ega, juffrouw Borsje, gaf soms les bij vacatures, ziektes of als invaller. Het beeld van beide echtlieden op de fiets is onvergetelijk. Voorop stijf rechtop de fiets gezeten en met het kale hoofd fier geheven meester Borsje; daarachter een klein schriel maar tanig vrouwtje met paardenstaart en een enigszins doorgezakte zit, zijn vrouw. Altijd fietsten ze achter elkaar. Dan kwam het moment dat ze moesten stoppen. Nauwgezet werd kan met de arm een langzame op en neergaande beweging gemaakt. Dat teken kende ik van de verkeerslessen en het praktische verkeersexamen dat we ooit in de parkenbuurt moesten afleggen terwijl er opvallend onopvallende waarnemers toekeken. Maar buiten de verkeersles en meester T.Borsje ben ik het stopteken bij fietsers nooit meer tegengekomen.
Behalve zijn vrouw had meester Borsje twee liefdes, voorzover ik kon waarnemen. De ene was de liefde voor de natuur. Op dat vlak waren we zeker niet gelijkgestemd. Biologie en in het bijzonder de plantkunde riep bij mij – net als bijvoorbeeld tekenen – louter onrustgevoelens op. Een bijschrift op mijn rapport noteert dat ook.
De andere grote liefde was het onderwijs en in bijzonder het lesgeven zelf. Hij hield ervan kennis over te dragen en kinderen te laten ontwikkelen. En als je per ongeluk goed kunt leren is dat een dankbaar doel. Menigmaal mocht ik hem bijstaan en werd ik met een van mijn klasgenoten apart gezet in het lerarenkamertje waar ik dan de stof mocht uitleggen. Meester Borsje probeerde ook iedereen aandacht te geven. Om die reden was er voor leerlingen die voorbestemd waren voor Mulo of Lyceum een zgn. opleiding. Voor hen begon de school om 8 uur; zij kregen 3 kwartier exclusief les m.n. in vraagstukjes en ontleden, zonder dat dit ten koste van de andere leerlingen ging. Daarna moesten de leerlingen van de opleiding zeker tot de pauze zelf werken.
Het wekelijkse hoogtepunt was evenwel de vrijdagmiddag als meester Borsje ging vertellen. Bijna in trance stond hij voor de klas, het was muisstil en ademloos werd iedereen meegesleept door zijn vertelkunst. En altijd weer wist hij te eindigen op een spannend moment waardoor iedereen hunkerde naar het vervolg. Het konden spannende boeken zijn – ik herinner me een verhaal over pelsjagers en indianen in Canada – maar mij is vooral het levensverhaal van Abraham Kuyper bijgebleven. Nog steeds is het me een raadsel hoe zo’n onderwerp zo boeiend op leerlingen van die leeftijd kon worden overgebracht. Toch zie ik nog in mijn verbeelding de kleine Abraham licht schommelend met zijn iets te grote hoofd langs de waterkant slenteren. Natuurlijk heb ik in latere jaren foto’s van Abraham Kuyper gezien; maar in mijn herinnering lijkt hij toch verbazend veel op meester T.Borsje zelf.

 

Dat wij op De Bron terecht kwamen is eigenlijk wel opvallend. Wij kwamen uit een zeer gereformeerd gezin; en de gereformeerden in de buurt – zoals de Engelenburgs, de Tromps, de Meima’s, de Spoelstra’s - gingen overwegend naar de Koningin Wilhelminaschool van meester Groen, een zeer geliefde onderwijzer. En anders was er nog een gereformeerde school achter de Jachtlaankerk. Toch kozen ze voor de dichterbij gelegen De Bron. Of ze ooit bij de KWS op bezoek zijn geweest, weet ik niet maar in een kennelijke vlaag van oecumenische samenwerking of vanwege het vertrouwen dat meester T.Borsje uitstraalde werd het De Bron. Dat werd hem door zijn gereformeerde medebroeders niet in dank afgenomen. Gelukkig bleken de gezichtsbepalende hervormden – bestuurslid Burggraaf, Coenraads, Helmendach e.d. – voldoende rechtzinnig in de leer. Van een tweetal buren gingen de kinderen ook naar De Bron nl. Karin en Marieke van drogist Horn en Ronnie van cafetariahouder Maas maar dat zal zeker niet hebben meegespeeld. Daar waren de banden niet zo innig mee.

 

Speelkameraden: met wie en waar?

Deel 3

Jan Helmendach was mijn eerste vriendje op De Bron en tevens iemand waarmee ik na de lagere school nog contact onderhield. De relatie is niet gemakkelijk te omschrijven. We deelden zeker niet alles samen, hadden ook lang niet altijd dezelfde interesses maar zochten elkaar toch steeds weer op. Mijn leesmanie of mijn eindeloos gevoetbal konden Jan niet altijd bekoren; zijn meccano was niet altijd aan mij besteed. Bij Jan thuis speelden we weinig. Zijn ouders waren zeker niet onaardig maar wel streng, proper en pijnlijk netjes. De voorkamer was een echte zitkamer; de ramen werden regelmatig gelapt. Maar er was ook een andere kant die bij ons thuis ondenkbaar was. De directe en openhartige wijze waar over van alles werd gesproken. De seksuele revolutie was hier zijn tijd vooruit; de gebruikte condooms hingen te drogen aan de waslijn. Ach, later in Zeeland heb ik veel van deze kenmerken – zuinigheid, properheid, strengheid, directheid – leren kennen als Zuid Bevelandse waarden; Jan’s ouders waren dan ook uit Goes afkomstig.
Bij Jan gingen we wel altijd TV kijken; bij ons thuis beschikten we daar nog niet over. En dus heb ik in huize Helmendach Swiebertje ontmoet en Okkie Trooy leren kennen. Overigens, Jan riep ook weleens de hulp van mijn ouders in. Toen hij eens van schaal was weggestuurd, leek het hem verstandiger eerst aan te kloppen bij “Dikkies moeder” om daar zijn strafwerk te schrijven. Bij hem thuis zou het anders uitdraaien op een ramp. Mijn moeder begreep dat.
Met Jan zwierf ik door de wijk en deelden vriendjes en beconcurreerden elkaars vriendinnetjes.
De flats aan de Germanenlaan verkenden we met Henk Kerst. Ook het “grote veld” tussen Germanenlaan en de Willem III-kazerne behoorde tot dat domein en menigmaal werd daar vuurtje gestookt (soms tot de brandweer het kwam blussen). Ik begreep maar niet dat mijn moeder daar achter kwam; ach, zelf rook ik mijn kleren niet eens meer. Verder werden er hutten gebouwd en was het een ideaal terrein voor cowboy’tje.
Het gebied van de Laan van Orden en Frans van Mierestraat was het natuurlijke speelgebied van Jan. Hier woonde ook een van zijn vriendinnetjes, Wijna Middelhuis. Ik associeer dat gebied met het spelen van verstoppertje o.a. met Ineke Jansen en Marianne Kamphuis.
Het winkelcentrum bij mij thuis was logischerwijs de plek voor rolschaatsen. Het was als het ware een overdekte schaatsbaan. Wel konden we pas terecht als de winkels gesloten waren. Natuurlijk deed ik dat meestal met buurkinderen (Jan de Zwaan, Ronnie Maas) maar er kwamen ook anderen; zo was Bastiaan Burggraaf een opvallende verschijning want zijn rolschaatsen hadden ijzeren wieltjes en dat hoorde je ook.
En dan was er het gebied langs de spoorlijn. Feitelijk de achtertuin van Wilma Roelofs en Rudolf Kaal. In de eerste plaats waren er de sloten en weilanden waar werd slootje gesprongen en op stekelbaarsjes werd gevist. Maar er werden ook vuurtjes gestookt en aardappelen en appels gepoft. Wilma wist zich altijd omringt door haar vaste vriendinnen Charlotte Kamermans en de tweeling Van Wijk (Jeanet en Lucy). Rudolf Kaal daarentegen was een solistische jongen, vrolijk en vol ideeën maar ook wat mysterieus; voorzover ik weet woonde hij bij zijn opa.
En tenslotte was er het speelgebied rond de Mauvestraat. Daar woonde Danny Wardernaar, een Indonesische jongen met een fantastische moeder, die het huis voor iedereen openstelde; alles kon altijd. Natuurlijk hadden we als schoolkinderen een relatie met haar doordat ze als “korfbal-coach” optrad. Maar de Indonesische gastvrijheid speelde een even grote rol. Het was ook de plek waar ik voor het eerst zag dat je niet per se gezamenlijk aan tafel hoefde te eten; het kon ook op de bank met een bord op je schoot. De omgeving van de Mauvestraat was het domein van de “betere” voetballertjes. Tussen de flats werd volop gevoetbald en hier liepen de uitblinkers van de toenmalige semi-profclub AGOVV rond. Voor mij was het een beetje het gebied van de tegenstanders; ik voetbalde bij een andere club. Gingen we nog verder de Mauvestraat in voorbij de Hobbemalaan dan kwamen in het speelgebied van Liesbeth Carras. Maar dat gebeurde in al te vaak; dat gebied was toch net even te ver van

 

Heuse vriendinnetjes: een beetje verliefd.

Deel 4

We speelden met vriendjes en vriendinnetjes. Maar sommige vriendinnetjes hadden iets speciaals. Tegenwoordig is men “op elkaar”. Die uitdrukking kenden wij niet. Wij “gingen met”elkaar. Net als nu speelden andere vriendjes of vriendinnetjes daarbij vaak een bemiddelende of boodschappersrol. Maar er was nog een belangrijker instrument waar ik tegenwoordig nauwelijks van hoor (wat met MSN en SMS wellicht niet vreemd is) en dat waren de “briefjes”. Neem in gedachten een klein papiertje. Schrijf er boven “Lieve….”, daaronder een korte mededeling, dat je elkaar wilt ontmoeten daar op die tijd, of gewoon wat je van elkaar vindt, en beëindig het met “je liefste…”. Zo’n briefje is met spanning en extase omgeven want het mag niet in verkeerde handen vallen. De postbode van dat briefje kan je meest betrouwbare vriend zijn of haar beste vriendin. Soms bezorg je het zelf maar zorgt er dan voor dat het zo opvallend mogelijk bij de adressant terecht komt door het achteloos in de hand te drukken of in de jaszak te doen. Helemaal spannend wordt het als het briefje in de klas moet worden doorgegeven.
Stel je vervolgens eens voor dat je een oudere zus hebt van rond de twintig die zulke avonturen van haar jongere broertje reuze leuk vindt en soms “briefjes” vindt die je allang had moeten vernietigen maar vanwege onoplettendheid of misschien wel gehechtheid per ongeluk in je broekzak zijn achtergebleven. Tenslotte zat er van alles en nog wat in mijn broekzakken; een klein briefje viel daarbij niet op. Zo volgde mijn oudste zus mijn verliefdheden met begrip; het zijn dierbare herinneringen.

Lagere-school-verliefdheden zijn er in alle soorten en maten. Veelal gaat het louter om een door klasgenoten gecreëerde “pseudo-relatie” die slechts bestaat uit het uitroepen van “hij gaat met zij”. Soms is er sprake van ongecompliceerde speelkameraden; een relatie die jarenlang kan blijven bestaan en een stootje kan hebben. Het zijn ook relaties die lang in de herinnering blijven. Bij tijd en wijle zie je heuse verliefdheden en dito aanhalig gedrag. En natuurlijk zijn er als het ware “verkenningsrelaties”; een spel van andere seksen en andere milieu’s leren kennen en een beetje willen meedoen.

Op De Bron heb ik drie echte vriendinnetjes gehad: Marianne Kamphuis, Liesbeth Carras en Wilma Roelofs.
Marianne was mijn eerste echte vriendinnetje; van wanneer de relatie dateerde, weet ik niet meer maar ik schat klas 4 o.i.d. Voorzover ik weet was het ook een langdurige relatie met zo nu en dan een onderbreking. De “briefjescultuur” stond centraal maar verder weet ik er eigenlijk niet zoveel meer van. Marianne had een vast vriendinnetje, Ineke Jansen, die als trouwe en welwillende boodschapper fungeerde. Maar verder was het vooral een relatie op afstand; centraal stond het uitdagend plagen tijdens het spelen en zo nu en dan een vluchtige zoen. En dat was het.

De relatie met Liesbeth Carras was kortstondig van aard. Het was een wilde meid die het liefst met de jongens meedeed en meevoetbalde. Zeker geen romantisch type maar altijd in voor avontuur.
En dan was er Wilma Roelofs. Terugkijkend heb ik altijd – terecht of onterecht - het idee gehad dat hiermee een iets hechtere band bestond. Aanvankelijk leek zij op school een verlegen meisje, getooid met een paardenstaart waar ze waarschijnlijk weinig gemak van had denkend aan de grijpgrage handen van klasgenoten. Pas in de hogere klassen leerde ik een andere Wilma kennen. Vooral buiten school ontpopte ze zich als een avontuurlijke meid die het liefst buiten speelde, initiatiefrijk was en van aanpakken hield. Tegelijk had ze een gevoelig karakter. Haar vriendin Charlotte “beschermde” haar op school verbaal; die was niet op haar mondje gevallen. Ja, met Wilma zal ik ongetwijfeld ook briefjes hebben gewisseld, vast ook mee hebben gezoend en elkaar hebben geplaagd. Maar wat mij vooral bijstaat is het gezamenlijk buiten spelen vaak met meerdere vriendjes en vriendinnetjes. Het zal ook in die tijd geweest zijn dat we klassikaal Berg en Bos bezochten en tijdens een puzzelwandeltocht o.i.d. er met een groep tussenuit knepen wat later tot forse straffen aanleiding gaf. Het zal eveneens de tijd zijn geweest dat we samen deel uitmaakten van het schoolkorfbalteam; handig zo’n gemengde jongens- en meisjessport. Maar of het ook al de tijd was van gezamenlijk Kristalbadbezoek, dat herinner ik me niet meer zo goed.
Regelmatig bezoek ik mijn schoonouders in Apeldoorn en dan kom ik altijd langs haar ouderlijk huis. Menigmaal stel ik me voor hoe het er vroeger uitzag met de weilanden en sloten rondom. Vaak denk ik aan mooie jeugdherinneringen.

Natuurlijk is een analyse achteraf – zeker na zoveel jaren – riskant. Toch, als ik terugkijk, valt me op dat ik steeds opnieuw viel voor vrolijke types, directe en praktische meisjes die niet primair bezig waren met uiterlijkheden en maar wel sociaal waren ingesteld. Nog steeds zijn dat eigenschappen die mij aanspreken.
De eerlijkheid gebiedt om ook na te gaan wat die vriendinnetjes bij mij aantroffen. Zelfkennis met betrekking tot die tijd is welhaast nog moeilijker. Ongetwijfeld zaten er een aantal goede eigenschappen bij: een sociaal gevoel, slim en strategisch. Maar er waren ook vast minder verheven karaktertrekjes zoals eigenwijs of misschien zelfs arrogant, kritisch of het erbij willen horen.

 

Geen gym, wel sport

Foto: Dik Kruis.In 1967 speelde De Bron de finale van het schoolkorfbaltournooi tegen de school uit de Röntgenstraat. Het eindigde onbeslist waarna strafballen in het voordeel van de Röntgenstraat besliste. Later werd de wedstrijd nog eens vriendschappeliljk over gedaan met volgens mijn herinnering een herhaling van gelijkspel en strafballen. Achter: Elly Leeuwenhoek, Marianne Kamphuis, Liesbeth Carras, mw. Wardenaar en (ik denk Charlotte Kamermans?) Voor: Sipko Luttikhuizen, Dik Kruis, Danny Wardenaar en Ronnie Maas

Deel 5

Achter De Bron lag een trapveldje. Van gemeentewege waren 2 houten doelen neergezet. Een stevig hekwerk en hoge sparren schermden het veldje af van een spreng en het daarachter gelegen terrein van de Koning Willem III kazerne. Aan de andere kant lag het schoolgebouw met heel veel kwetsbare glazen ramen vlakbij. En toch mocht voor schooltijd, in het speelkwartier (zo heette de pauze) en na schooltijd hier gevoetbald worden. Slechts één keer herinner ik me dat een ruit is gesneuveld; of daar straf op stond of anderszins voorschriften voor golden weet ik niet meer. Maar als ik er nu aan terugdenk getuigde deze soepelheid van een positieve sporthouding van de schoolleiding.
Het belangrijkste sportgebeuren , misschien wel het belangrijkste gebeuren überhaupt, was het voetbaltournooi wat – gelet op het tijdstip van spelen – het paastournooi heette. De Bron had een naam hoog te houden want in de tijd dat ik in klas 3 of 4 zat werd de school voetbalkampioen o.a. dank zij deelname van een begenadigde speler als Hans Bleijenberg (zoon van een Ajaxied en international). Helaas was die speciale klasse er niet toen ik in de hoogste klassen zat. Wel leverde het paastournooi mijn eerste treinreis alleen op. Ik logeerde in Amsterdam bij mijn tantes maar moest eerder naar huis om mee te kunnen spelen; dus werd ik op de trein naar Apeldoorn gezet. Kennelijk kon dat toen voor een 10/11-jarige zonder problemen. Was het tenue van De Bron niet wit-groen? Van het tournooi zelf herinner ik me trouwens niets; van de trainingen onder leiding van (nou ja, zij het dat het ging om “meespelende leiding”) meester Veerman des te meer. Een gymlokaal had De Bron niet. Bij goed weer in voorjaar, zomer en najaar werd op het sport- en gravelveld van korfbalvereniging Steeds Hooger gesport. En na afloop bleef meester Veerman nog graag een potje voetbal spelen. Eerst poten, teams kiezen, jassen als doelpalen en spelen maar.
Voetbal was populair. Er waren ook tal van voetbalverenigingen in de buurt. Uiteraard speelde ik zelf bij CSV Apeldoorn, want de C stond voor christelijk. Udie Dijkstra introduceerde me in het 2e pupillenelftal maar al gauw speelde ik in de “selectie-elftallen” (P1 en later C3, C1, B3 en B1). Belangrijkste reden was dat ik ook enigszins links kon trappen. Op het voetbalveld kwam ik klas- en schoolgenoten tegen in andere clubshirts. AGOVV (blauwhemden) was de top en gelijk de grote concurrent waar o.a. Henkie Kanselaar speelde. Robur et Velocitas was zondagvoetbal maar ook de club van meester Veerman. Victoria Boys (oranje) was katholiek; B&O was geen top maar wel gezellig; Sipko Luttikhuizen speelde er. Maar anders dan nu wisten we weinig van de landelijke topclubs. TV was nog geen gemeengoed en voetbal op TV al helemaal niet.
En de meisjes? Op een enkele uitzondering na voetbalden de meisjes niet.

De sportlessen hielden natuurlijk wel rekening met meisjes. Daarom werd er op de les zelf meer korfbal, slagbal of trefbal gespeeld. Als bijzonderheid herinner ik me dat we met een schoolteam deelnamen aan een slagbaltournooi en tot onze eigen verrassing winnaar werden. Achteraf denk ik dat het een ondermaats tournooi was waar misschien niet zoveel scholen aan deelnamen. Toch weet ik dat ik de prijsuitreiking, waar ik als aanvoerder de prijs in ontvangst moest nemen, veel spannender vond dan de wedstrijden.
Wie er in ons team meededen? Geen idee. Wel weet ik dat het team onder leiding stond van meester Borsje himself.

 

Schoolkorfbal 1967. Foto: Dik Kruis. Achter Elly Leeuwenhoek, Marianne Kamphuis, mw Wardenaar, Liesbeth Carras, Charlotte Kamermans Voor: Sipko Luttikhuizen, Dik Kruis, Ronnie Maas en Danny Wardenaar

Nee, dan korfbal. Na voetbal was dat sport nummer twee. Bovendien beschikten we over een speciale coach met de moeder van Danny Wardernaar. Ooit actief in de korfbalclub Steeds Hooger wist deze forse en gezellig Indische vrouw ons te inspireren en leerde ons de kneepjes van het korfbalvak. Tal van sportlessen op school werden ingevuld door moeder Wardernaar. Bovendien stond ze niet boven maar tussen de kinderen. Zoonlief Danny was zelf een begenadigd korfballer. Maar juist in klas 6 kregen we nog een sterspeler in de figuur van Elly Leeuwenhoek. Deze twee maakten de punten op aangeven van Marianne Kamphuis en mijzelf in het aanvalsvak. De verdedigers waren Liesbeth Carras en Charlotte Kamermans, Ronnie Maas en Sipko Luttikhuizen als ik mij niet vergis.
Het korfbaltournooi was een groots gebeuren. Maar het gooien van strafballen was aan ons niet besteed en in de finale verloren we daardoor van onze rivaal de KWS Röntgenstraat. Revanche bleef uit want toen enige tijd later we vanwege het onbevredigende einde opnieuw een wedstrijd speelden had dat precies hetzelfde resultaat. Daar leerde ik dat tweede worden in de sport net zoveel is als niets.

In de winter was er geen sport. Behalve als er ijs lag en de ijsbaan open was. Dan werden er schaatswedstrijdjes georganiseerd. Maar veel indrukwekkender was wat meester Borsje en zijn vrouw lieten zien op de kunstschaats. Prachtige figuren konden ze samen gearmd rijden.
Voor de hoogste klassen was er ook nog het schoolzwemmen in het Sportfondsenbad. Met de bus werden we opgehaald. Daar leerde ik de zwemkunst machtig worden maar een zwemdiploma zat er niet in want bij het afzwemmen moest ik verstek laten gaan vanwege een blessure. Nog steeds geeft het ontbreken van dit diploma de nodige hilariteit bij mijn kinderen. Hoe lang zo’n blessure wel niet duurt…

 

Foto: Dik Kruis. achter vlnr: meester Muller, Gerda van Apeldoorn, Ineke Jansen, Aline van Binsbergen, Charlotte Kamermans, Wilma Roelofs midden vlnr: Dik Kruis, Johny Wesselius, Herman Zoetbrood, Sipko Luttikhuizen, Henk Kerst, Jan Helmendach, Rudolf Kaal, Monique de Bree. Voor vlnr: Wijna Middelhuis, Evelien Pasman, Herma Mos,Marianne Kamphuis, Willy Ketel, Liesbeth Carras, Danny Wardenaar, Ronnie Maas, Bastiaan Burggraaf, Christine de Haan

 

Anno 2004

Deel 6

Het is februari 2004 als we met de familie even uitbreken uit oma’s verjaardag. We lopen langs “De Bron” en zoals altijd trekt mijn blik naar de plaats waar eens het schoolgebouw stond. In gedachten zie ik terzijde van het tegelpad kleine kuiltjes in het zand, knikkerpotjes, en een groep kinderen met knikkerzakken. Bastiaan Burggraaf was een van de gevaarlijkste tegenstanders, goed en fanatiek. Ik zie een paar jongens met een mes een groot vierkant uittekenen en een lijn door het midden trekken. Beiden nemen plaats in een eigen rechthoek en één begint het mes in de grond te werpen: landpikkertje. Meisjes hebben een lang springtouw waarbij 2 meisjes draaien en de anderen “inspringen”. O, wee als je lang haar hebt, dan is het een stuk moeilijker. Verderop staan 2 meisjes wijdbeens met een lang elastiek om hun benen. Anderen springen er één voor één op, draaien en springen er weer op. Soms wordt het elastiek wat omhoog geschoven waardoor de moeilijkheidsgraad toeneemt. In een hoekje staat een meisje drie kaatsballen omhoog te houden.
Uit de bosjes naast het tegelpad zie ik schichtig een meisje tevoorschijn komen. Een paar tellen later volgt nonchalant een jongen. Een geheime ontmoeting? Even later zie ik ze meedoen met “schipper mag ik overvaren”; ook zo’n geheid spelletje waar jongens en meisjes elkaar kunnen najagen.
De familie loopt verder, langs het Ordenplein. Hé de Wibra gaat weg! De Wibra, de hele ontwikkeling van een klein winkeltje in Epe tot een groot concern hebben we meegemaakt. Het Ordenplein was de eerste uitbreiding. Van de oorspronkelijke winkeliers is vrijwel niets meer over. Cafetaria Maas is snackbar Kokkie. Klasgenoot Ronnie Maas is als kok over de wereldzeeen uitgevaren, mailde onlangs zijn zus Desiree me.
Over het al lang niet meer bestaande “grote veld” en langs het ooit nieuwe schoolgebouw van De Bron – waar vaders en moeders het grondwerk zelf verrichten ondersteund met koffie van mijn moeder – lopen we naar het sportpark Orderbos. Rechts waren ooit de dijkjes om van af te sleëen, waarna we ’s middags voor het eerst naar De Bron moesten. Links is nog steeds het sportveld van Steeds Hooger; in de kleuren zwart-wit en nog steeds met dubbel oo geschreven: òns sportveld.
Via de Berghuizerweg (nu verlengde Govert Flinckstraat( komen we weer terug; langs het echte brongebied waar een spreng ontspringt en waar De Bron haar naam aan ontleent, over de vroegere weilanden langs het spoor, het huis van Wilma Roelofs…
Oma wordt 70 jaar! Wij hebben nog heel wat jaren voor de boeg.

 

Terug